Is er leven op Vlieland? (1975)
Op weg naar Vlieland, een van de rij stipjes die wat verloren achter Den Helder aan bengelen. Onbewoonde eilanden lijken het op de kaart, hoewel een paar puntjes en lijnen toch dorpen en wegen aangeven: tekenen van leven op een sliert begroeide zandbanken. Toch heb je het idee dat je een Robinson Crusoe bent. Het idee, meer is het niet. Niets op de veerpont doet je denken aan het achterlaten van de bewoonde wereld. Integendeel, de boot is bevolkt met puur Nederlandse mannen en vrouwen, velen in felgele zeilkleding. Dat schijnt – met eronder dikwijls een net, geplooid substituut van de spijkerbroek – de enige dracht te zijn die de gemiddelde burger associeert met begrippen als zee, eiland, en zilt – nog afgezien van het zondagse pak. Een enkele alternatieve natuurliefhebber, baard en sandalen, ze bestaan nog steeds. Een man en een vrouw met een nerveuze herdershond, voor het blaffen en springen waarvan ze tegen verschrikte omstanders de hele tocht excuses blijven zuchten. Een groep schoolkinderen, compleet met vermanende en bedisselende meester, waarschijnlijk bezig met een project over de Waddenzee. Op het dek een grote verhuiswagen met een kersverse Vlielandse familie eromheen. Verder nog wat geroutineerde overstekers, van de eilanden zelf afkomstig, nors en slordig voor zich uit mompelend in onverstaanbaar Vlielands (?). Maar als ik per ongeluk tegen een van hen aanstoot met mijn weekendtas en sorry zeg, legt hij me in uiterst begrijpelijk Nederlands uit dat het niets geeft. Ontnuchterend.
lk heb nog de vage hoop dat het daar op Vlieland anders is dan op het vasteland. Dat kan toch eigenlijk niet missen. Het is een Waddeneiland en ligt tenslotte van God en mens verlaten ergens boven Friesland. Je laat zelfs je auto achter in Harlingen, op een door weer en wind geteisterde parkeerplaats aan de haven. En alleen al op grond van die gegevens kan het gewoon niet hetzelfde zijn. Bovendien praat Remco in zijn 6-jarige onschuld steeds over Nederland en – of je gaat emigreren ~ over Vlieland als twee volledig gescheiden gebieden, waartussen geen enkel verband bestaat. Dus je blijft al met al toch met een zekere hardnekkigheid vasthouden aan het idee dat je in de loop van de vijf kwartier die de overtocht in beslag neemt, afvaart op iets ongerepts, iets moois, iets ongeziens. Bestaat Vlieland eigenlijk wel ?
Zeehelden op een veerboot
Maar het is niet vol te houden. Neem nou bijvoorbeeld de opvarenden, die al een weinig primitieve of onbeschaafde indruk maken. Als na ongeveer een uur uur het schip door een briesje wat begint te schommelen en te stampen, zitten Riet en ik met de kinderen éénhoog op het achterdek, op een openluchtbalkon. Daarachter bevindt zich een halletje waarop de toegangen tot de verschillende dekken, de toiletten en het restaurant samenkomen. Vanuit het achterdek door de deuropening naar binnen kijkend zie je binnen een paar minuten na de eerste bewegingen van het schip verschillende witte en kiespijnlacherige gezichten te voorschijn komen, figuren die zich manmoedig op wankele zeebenen proberen staande te houden. Sommigen lijken net te leren lopen, de deur van het restaurant uit en bij de toiletten weer naar binnen. Nederlanders een zeevarend volk, jaja. En Michiel de Ruyter heeft nog wel op Vlieland gewoond, terwijl Maarten Harpertszoon Tromp een huis heeft gehad aan de tegenwoordige Dorpsstraat dat nu als museum is ingericht. Zij het dat Michiel in West-Vlieland heeft gezeten, een inmiddels door de zee opgevreten dorp, in vroeger jaren volgens de geschiedschrijving bijkans geheel bewoond door gepensioneerde walvisvaarders, admiraals en commandeurs. Nu is er alleen nog het dorp Oost-Vlieland. En daar gaan we heen.
Schoner wohnen, hoewel……
We nestelen ons in een van kennissen (via, via) gehuurd huisje in de Dorpsstraat, dat ooit heeft toebehoord aan de tandarts A. en vervolgens, na diens overlijden, aan zijn zoon is toegevallen. Geen vakantiehuisje dus of zoiets – gelukkig niet – maar een paar honderd jaar oude, origineel Vlielandse behuizing, aan de enige serieuze straat die het eigenlijke dorp kent. Langs de bij eb droogvallende kust, vlakbij het haventje, door lange achtertuinen gescheiden van de dijk die vaste en drassige grond uit elkaar houdt, eiland en wad. Voor kinderen – en niet minder voor de groteren – een ideaal verblijf. Je loopt het huis uit, de tuin in en bij laag water zo het wad op.
Het huisje zelf is klein, door de tandarts indertijd met artistieke nonchalance ingericht en volgezet met attributen, die elk ander al jaren geleden zou hebben weggegooid. bejaard meubilair, versleten maar uitstekend van zit, kastjes, vitrines met schelpen, vaasjes en trommeltjes, veel trommeltjes, ook in het raam en in de keuken. Pronkstuk is de overigens in verregaande staat van slijtage verkerende grote vierkante trommel van Droste cacao, rood met blikplekken waartussen de zuster met het bekertje chocolademelk nog maar net zichtbaar voortschrijdt. Overheersend is evenwel een aantal aan de visvangst en de zee verwante artikelen, een samenraapsel van fuiken, netten, drijvers, vaak verroeste werktuigen en onderdelen. De functie is allang vergeten, decoratief doen ze het nog best. Een grote massieve tafel met zes zware stoelen in het achterste deel van de kamers en suite, bekroond door een lamp waarvan maar drie van de zes peren licht blijken te geven. Verder een enorme kachel – een allesbrander, zoals de toelichting in een schoolschrift vermeldt – met een bak waarin met het brandhout een gesloopte box wacht op zijn laatste bestemming.
In de voorkamer een bank, twee rotanstoelen en een veel bezeten maar ook lekker zittende fauteuil uit de roaring twenties, alsmede een altmodische secretaire. (Even onbescheiden in de laadjes gegluurd : twee trommeltjes, alweer.) Een radio waarvan het gekraak regelmatig de muziek overstemt, twee uit spaanplaat gezaagde tweedimensionale Marokkanen, van wie er een tegen het verwachte perspectief in een dienblad – of is het een asbak ? – in de hand houdt. De ander is op de plaats van het blad nog slechts voorzien van een forse spijker, door Remco omschreven als “ijzeren piemel”. Boven de oliekachel (“Voor gebruik van meer dan één volle tank gelieve men zich te wenden tot de handelaar op nr. 78”) een oude spiegel met ernaast op de schoorsteenmantel een gipsen beeld, voorzien van het onderschrift “Vanitas, vanitas, omnis vanitas”. Terecht, ijdelheid kan de tandarts bij de inrichting van zijn huis moeilijk worden verweten. Het beeld dient als kapstok voor een hoge hoed, een strohoed en een beduimelde kapiteinspet. Eromheen vreemde pikhaken, verroeste metalen staketsels, op de grond een onwezenlijke, gigantische kurketrekker van ongeveer een meter lang. Verweerde balken, niet te tillen restanten van een lang vergane vissersvloot, stukken tegel met Gouden Eeuwige blauwe opdruk en een brievenbus met het opschrift “LETTERS”. Hij komt in elk geval ook van overzee.
In de achterkamer is een boog in de ruw witgepleisterde muur uitgehakt , naar de later aangebouwde keuken en wc. Met enige trots vermeldt onze informatie in het schoolschrift dat deze laatste onlangs is aangesloten op het plaatselijke rioleringsnet. Dat scheelt dus alweer, hoewel de wat excentrische ligging wel het nadeel heeft van een kille, klamme bril. Maar vooruit. Alles bij elkaar charmant zonder al te kitscherig, chaotisch zonder onverantwoord te zijn. Maar Vlieland blijft een tweeslachtig eiland. Rees op de veerboot al twijfel aan mijn voorstelling van het leven op dit afgedreven stukje vader- land, mijn ideeën werden toch weer min of meer bevestigd door de primitieve, of liever primaire aankleding van het huisje. En dan komt opnieuw de onzekerheid over de oprechtheid. Want naast dit alles is de hand merkbaar van de zoon van de oude tandarts, Joost A., die hier tijdens vakanties met zijn gezin neerstrijkt. Ook in weekends schijnt hij hier te komen voor allerlei anachronistische moderniseringsactiviteiten. De gevolgen zijn onder andere dat er overal plastic buizen met elektrische leidingen door het huis lopen. Op de meest onmogelijke plaatsen zijn stopcontacten en eigentijdse schakelaars aangebracht. Om het licht in de achterkamer aan te doen, moet je ongeveer het formaat van een lilliputter en de lenigheid van een rubberslang hebben. Het knopje zit verstopt achter de overgordijnen en daarvoor staan verschillende obstakels uit het visserijwezen en een grote leren fauteuil. In de gang en de kamers zijn zelfs een paar, in deze omgeving ten hemel schreiende spotlights aan de muur opgehangen. Het plafond van balken en planken wordt momenteel in beige en roestbruin geschilderd en op zolder – de eerste verdieping – is het houtwerk van het dak al voor een deel wit geverfd. De wc is blauw met een zilveren stortbak, de keuken heeft een stalen aanrecht met twee spoelbakken. Zelfs in de tuin, die in de meeste gevallen op het eiland een natuurlijke wildernis van struiken en gras is – en hier ook was – staan nu perkjes tulpen en andere geciviliseerde bloemen. Kortom, binnen drie jaar, hooguit vijf, is dit huisje waarschijnlijk een halfslachtig mengsel van een nieuwbouw eengezinswoninkje en een buitenhuisje. Vlees noch vis noch Vlieland. Symbolisch voor de verdere ontwikkeling van het eiland ? We zijn nog op tijd. Hoewel.
KingCorncultuur en natuur
In de loop van de week dat ik er ben, wordt het me steeds duidelijker, dat het hele eiland hinkt op twee gedachten. Het is, hoe je het ook bekijkt, een mooi eiland. Ruig en winderig, veel duin en strand, hele bossen. Dat trekt mensen, dat zit erin. En daarmee komt de andere kant van de medaille, de toeristenindustrie. Jan rap en zijn maat trekken naar Vlieland, met blikjes bier en 6-persoonsbungalowtenten, met transistorradio’s en tuinparasols. Samengevat, op een gegeven moment wordt de warme bakker geconfronteerd met een KingCornbeschaving. En, verdomd, even later gaat hij nog verpakt brood verkopen ook. Aan de ene kant uit noodzaak – het valt op een drukke dag met al die toeristen niet meer bij te benen en te kneden -, aan de andere kant omdat hij merkt dat de wat hogere prijs voor niemand een bezwaar is en de brave man zelfs meer vrije tijd krijgt. Neem ‘t hem eens kwalijk. De Spar en de A&O slaan toe op het eiland, souvenirwinkeltjes met lepeltjes, glazen en de vreemdste attributen bedrukt met handgeschil- derde vuurtorens, veerboten en duinlandschappen doen goede zaken. Neem het hen eens kwalijk.
Maar toch wordt deze ontwikkeling door een of andere duistere natuurwet weer min of meer rechtgetrokken. Het gros van de bezoekers belandt op de camping “Stortemelk” – hoe komen ze erop – of in een kolonie vakantiehuisje voor continentale bleekneusjes, die de fraaie naam “Duinkersoord” draagt. Tot mijn verbazing blijken de honderden mensen die hier hun vakantie doorbrengen nauwelijks of niet over het eiland uit te zwermen. Bij mooi weer liggen ze languit in hun gehuurde ligstoelen of zitten ze gezellig keuvelend op huiskamermeubilair voor hun tijdelijke woning. Bij slecht weer doen ze blijkbaar hetzelfde, maar dan binnenshuis. Met andere woorden, buiten een straal van een paar honderd meter tref je maar een hoogst enkele doorsnee toerist aan in de vrije natuur. Van de relatief weinige pensionbewoners in het dorp zelf is de aanwezigheid in bos en duin of op het strand zo onopvallend en minimaal, dat die niet als storend kan worden ervaren. Het komt er in de praktijk op neer dat je uren over het eiland kunt dwalen zonder een levende ziel te ontmoeten. Soms zie je of hóór je alleen maar op enige afstand een of twee mensen lopen, soms fladdert een fazant op of loopt er een konijn schichtig de duinen in, als een eenzame fietser over een schelpenpad gaat. Dat was een paar jaar geleden zo en nu – eind april, begin mei 1975 – ook weer. Het hoogseizoen ken ik niet uit ervaring; maar heeft waarschijnlijk alleen consequenties voor de plaatselijke bars en dancings als “De Witte Zeeman” en “De Oude Stoep”. Niet voor eenzame fietsers over schelpenpaden.
Deze toestand leidt tot de wat onwezenlijke situatie, dat het dorp Oost-Vlieland als centraal zenuwstelsel fungeert voor de alternatieve bioloog of vogelkundige en de op de natuur gestelde vakantieganger, maar óók voor de campingtoerist met z’n draagbare bankstel en portable stereo annex televisie. Iedereen moet ’s morgens naar de bakker of de slager, voor hij of zij het eiland opgaat of gewoon op zijn krent blijft zitten. Het maakt dat de middenstand in een Benidorm- of Torremolinosachtige sfeer gedijt, maar ook dat de Dorpsstraat met al zijn winkels inderdaad een Dorpsstraat blijft met oude huisjes die van geen toerisme weten. En zo kan het gebeuren dat je de man en vrouw in hun gele zeilpak met een blik van herkenning – we zijn tenslotte allebei op de boot geweest – vriendelijk goeiedag zegt en een praatje maakt. Je gaat er vanuit dat ze in de vakantiehuisjes- kolonie thuishoren en dat klopt. Maar waar ergens andere mij de tegenzin zou overvallen me met deze vorm van toerisme in te laten, ontstaat toch onbewust een oecumenisch klimaat van verdraagzaamheid voor elkaars opvattingen. En al lees ik in Den Haag dagelijks de Volkskrant, ik aarzel niet na het aankomen van de boot van half 10 uit Harlingen aan de overkant bij de drogist de Telegraaf te kopen. Al moet ik er wel bij zeggen dat er geen andere krant is.
Het gevolg van deze tegenstrijdige situatie is een uniek evenwicht tussen commercie en natuur, tussen pretzoeker en wandelaar, tussen kitsch en kunst. Twee uitersten komen aan hun trekken en iedereen daartussen in ook. Het aantal huisjes en bungalowtenten is niet groot genoeg kunnen worden om de milieu- en natuurfreaks te verjagen. En andersom. Maar laat er geen camping van enige omvang bij komen, willen duin en bos onbekommerd kunnen blijven groeien, zonder de bordjes “Verboden Toegang” of hekken en prikkeldraadafrasteringen. Maar laat die toeristen ook niet verdwijnen. Dat zou de bevolking een paar flinke boterhammen schelen. En die zal – dat merk je zo al aan je portemonnee – niet onmiddellijk bereid zijn de klok terug te draaien naar het pretoeristische tijdperk.
Want ik moet zeggen dat de bestaansbasis van de plaatselijke middenstand niet krenterig van opzet is. ln de tijd dat ik er – eind april, dus in het prille voorseizoen – was, bedroeg het huishoudelijk budget ongeveer anderhalf maal zoveel als thuis in het Haagse Benoordenhout dat een aan doctoren en topambtenaren aangepast prijspeil kent. Op Vlieland is je daalder een gulden waard. Maar goed, daar staat in elk geval iets tegenover aan puur natuur. En, zoals gezegd, in een goed zij het wankel evenwicht. Bij helder weer zie je bij wijze van spreken de torenflats van Harlingen al opdoemen. Vlieland koorddanst met zijn gemeentelijke vergunningen voor het toerisme op een door de VVV strak gehouden touw en is er tot nu toe nog niet afgevallen. Nog niet. Je kan hooguit hopen dat het niet gebeurt. De artiest is waard heelhuids het einde te halen.
Een vuurtoren als vrijheidsbeeld
Half dorp, half natuur is de tomaatrode vuurtoren, die als de vingerstomp van een reusachtige, onder het zand gewaaide hand net boven het hoogste duin uitsteekt, 40 meter boven de zeespiegel. Ertegenaan gebouwd op vier dunne poten staat vlak onder het enorme licht een huisje, eigenlijk niet meer dan een bouwkeet. Je komt er via een ijzeren wenteltrapje door de toren, precies zoals je je het had voorgesteld. Prijs twee kwartjes en dan mag je er ook omheen wandelen over een smal balkonnetje. Het uitzicht is mooi, veel wad, schuin onder je het dorp op zo’n 100 meter, de aanlegplaats van de Veerboot en wat verder weg het vissershaventje en de duinen waarachter je het brede strand weet. Aan de andere kant de naar Vlielandse begrippen grote weg naar de rest van het langgerekte eiland. Naar de Vliehors, Bomenland, de Dodemansbol en – minder poëtisch – café/restaurant Het Posthuis, waarvan alleen de naam nog aan het verleden herinnert. Waar vroeger de postboot voor het eiland aanlegde en de bemanning een borreltje dronk op de goede afloop van de oversteek, is alleen de laatste bezigheid overeind blijven staan. Een koele pils is nog steeds niet in strijd met het omringende landschap. Voor het overige alleen hos en duin zover als je kunt kijken.
De toren is te bereiken door middel van een niet al te zware klim langs een keurig gebaand pad of gewoon omhoog via de stug en struikerig begroeide helling. Dat is trouwens een voordeel dat je over nagenoeg heel Vlieland tegenkomt, de mogelijkheid om het geeft niet waar van de wegen en weggetjes af te wijken en tussen de dennen of in het helm verder te gaan. Zelfs in de vogelbroedgebieden staan langs de schelpenpaadjes door de duinen om de zoveel honderd meter alleen maar bescheiden bordjes met het verbod het gebied in bepaalde maanden te betreden. Zo in de trant van, ’t is vervelend dat we het moeten zeggen, dat schrijft de gemeenteraad of de dijkgraaf nou eenmaal voor, maar het zou kunnen dat u toevallig de broedtijd van de eidereend bent vergeten en u wilt toch ook niet dat die vogels wat overkomt ? Op Vlieland gaan ze duidelijk van het standpunt uit dat de toerist au fond toch een goed mens is, een opvatting die tot nu toe ondanks tijdelijke invasies op zomerse hoogtijdagen houdbaar is gebleven. Nu wordt die situatie natuurlijk ook voor een deel in de hand gewerkt door de beperkte omvang en relatief moeilijke bereikbaarheid van het eiland, die de gerenommeerde feestneuzen onder de vakantiegangers al hij voorbaat verre houden, ook al omdat hij zijn auto of brommer niet mag meenemen. Het restant doorzetters is dus – mede door het lage aantal typisch toeristische verblijfsmogelijkheden – niet erg groot en hun aanwezigheid valt des te minder op als ze zich letterlijk over het hele eiland kunnen verplaatsen. En dat doen ze dan nog niet eens. Waarschijnlijk is de openstelling van alles wat groeit en bloeit gewoon een tactische zet van de plaatselijke VVV.
De vuurtoren, want daar hadden we het over, is ook voor de dwalende toerist overigens een handig haken op zijn tochten door het voor hem onbekende geboomte of struweel. Ben vertrouwd beeld te midden van de vrijheid, een versteviging ervan door de wetenschap dat je kan gaan waar je wilt op dit eiland en je hooguit in een boom moet klimmen of op een duintop moet gaan staan om te zien waar je zit. Los daarvan is het ook voor de kinderen, niet zo vertrouwd met het verschijnsel vuurtoren, een aantrekkelijk bouwwerk dat een haast dagelijkse blik of rondgang rechtvaardigt, over het met dennenschors geplaveide pad langs het huis van de vuurtorenwachter. Een rustige man met een wakend oog op de zee gericht. Je verwacht hier trouwens niet anders, in elk geval niet het type dat opgewonden sterke zeemansverhalen vertelt. (Om eventuele misverstanden te vermijden, de vader van Liesbeth List is met pensioen. Het enige dat me nog aan hem herinnerde was zijn achternaam op een gehuurd handkarretje en op de grafzerk van een van zijn voorouders.) Op mijn – achteraf wat onnozele – vraag of het nou niet vervelend is zo de hele dag over het eiland en, vooral, de zee uit te kijken, antwoordt hij geruststellend met een wat verbaasd gezicht : “Ach, mijnheer, het water is nooit hetzelfde.” Daar sta je dan. En denkt, ik wou dat ik het net zo zag.
’s Avonds, als het al donker begint te worden en Caspar en Remco naar bed gaan, kijken ze in een verwrongen houding voor het hovenraam van de zolderslaapkamer aan de voorkant tussen de huizen van de Dorpsstraat door naar het in code opflikkerende oog. Een laatste dagelijkse groet, net als aan de andere kant waar ze nog even uitkijken over de achtertuin, het intussen ondergelopen wad en in de verte de verlichte aanlegplaats met de veerboot. Een kermisattractie die alleen nog maar voor volwassenen toegankelijk is. Het schijnt voor hen erg opwindend te zijn, net als de drie stoten op de scheepstoeter die de boot hij aankomst afscheidt en die hen elke keer weer naar de dijk doet rennen als ze even de kans krijgen. ln het Benoordenhout meren niet zoveel schepen. Maar bij diezelfde aanlegsteiger maakt de opwinding plaats voor Hollandse nuchterheid, wanneer Caspar tijdens een wandeling vrolijk en opschepperig over een smal plankier gaat draven, twee meter boven de klotsende Waddenzee. Of hij op weg is naar school. En dat terwijl het windkracht 7 of daaromtrent is die dag. Remco stelt zich in overeenstemming met zijn karakter wat bescheidener op. Met enige moeite is hij er nauwelijks toe te bewegen op de verre van wankele golfbreker te gaan staan. Als ik hen zo zie staan, met wapperende haren, dijk en schuimkoppen op de achtergrond, komt het beeld van het door de elementen aangevreten eiland, van ruige vissers en Kniertjes lot weer even overeind. Robinson Crusoe is voor een moment dichterbij dan ooit. Tot Remco nuchter opmerkt dat hij het koud krijgt.
Terug in de tijd
Koud is het ook op het zoldertje van ons verblijf aan de Dorpsstraat, ’s avonds laat als we naar bed gaan. Cv-aangepast schuiven we ons huiverend tussen de kille lakens. Maar na twee minuten is de kou weg, je slaapt als een roos. Zo moeilijk als het is in bed te komen, zo moeilijk is het eruit te gaan. Het eerste dat je dan ook doet als die fase achter de rug is, is de kachel aansteken. De allesbrander, van een formaat dat je 25 jaar geleden aantrof in schoolklassen, een trots zwart gevaarte ~ black is beautiful. Hij loopt op het hout dat op heel Vlieland voor het oprapen ligt. Afgebroken takken, afgewaaide dennenappels, stronken, half vergane stammetjes, wrakhout. Eenmaal hebben we ‘s-morgens om half tien, net wakker, onder de ogen van twee verbaasde vuilnisophalers een paar takkenbossen en een half ingestort hek van de dijk weggegrist. Maar gewoonlijk komt de brandstof regelrecht uit het bos of de duinen. In de loop van de middag even met een een paar plastic tasjes naar buiten en tien minuten later zie je geen huis meer. Dan ruim je op wat de natuur zelf achterlaat, zo in de trant van de Bedoeïenen die dankbaar de kamelendrollen bij elkaar rapen om de nacht warm door te komen.
Het ontbijt heeft dan ook de ouderwetse charme van een knetterende houtvuurachtergrond. De soms verschijnende rookwolken Verstoren dat beeld niet. Meer moeite heb je met de al even ouderwetse avonden die zijn verstoken van het gebruikelijke gerief Van een avondkrant, televisie, een hobby, boeken of gewoon een oude bekende. Het is daadwerkelijk 1948, ook de aanwezige radio stamt uit die tijd. Alleen ie “Sprong in het heelal” of de familie Doorsnee niet meer te ontvangen. Het is 1975 en de ouderdom van het toestel doet zich duidelijk gelden. Daar staat tegenover dat de Vlielandse buitenlucht van de rest van de dag veel compenseert. Je zit wat loom in je stoel en gaat niet al te laat naar bed wat nog in de hand wordt gewerkt door enig alcoholgebruik. Je hebt dan ook niet zo de neiging om even een avondje vol te maken. De overblijvende tijd valt met praten en lezen van meegenomen weekbladen en boekjes eerlijkgezegd best door te komen. Zeker als je zo nu en dan even de tijd neemt om bij Bruyn’s café annex bioscoop een pilsje te drinken. Maar ik moet er bij zeggen dat ik persoonlijk niet mijn hele leven op die manier zou willen doorbrengen.
Voor een paar weken is het daarentegen alleszins aan te bevelen. Rust, stilte, geen gezelligheid (in de rumoerige zin van het woord>, geen hitparade, geen telefoon, geen stropdassen, geen auto’s, geen flats. Kortom, eenzaamheid – en dat dan weer in de gunstige zin van het woord. Eenzaam maar niet alleen, met zijn vieren om precies te zijn. En dan ie het een belevenis om zonder een kip tegen te komen van het Posthuis aan de andere kant van het eiland terug naar huis te fietsen door de duinen. Soms móet je afstappen omdat de zandruggen een hoek van zo’n 30 graden maken met de zeespiegel. Om van het vals plat maar te zwijgen. Of je stopt gewoon, met aan je rechterhand de liever niet te betreden vogelbroedgebieden. Links rijzen een meter of tien boven je uit de duinen. Daarachter weet je het strand. We stappen af en beklimmen met enig ontzag het maagdelijke, rulle zand dat als een brede woestijnverstuiving schuin omhoog steekt. Grote voetsporen als van de verschrikkelijke sneeuwman blijven achter als we naar boven gaan. Je krijgt haast spijt geen Haagse vlag te hebben meegenomen om daar in de grond te steken. Op de top kijken we uit over een honderd meter breed strand, niets dan strand. Een vlakte, met los in het zand gefrommelde dennentakken tegen al te grote verstuivingen en verderop naar de vloedlijn wrakhout, allerlei gevarieerde rotzooi en schelpen, miljoenen schelpen. (Caspar en Remco nemen op hun strandwandelingen steeds elk een plastic tasje mee en daarin gaan alle aanspoelsels die afwijken van die op het strand van Scheveningen. Schelpen, hoe groter hoe mooier, broze en gebroken stukken zeegeslepen hout, vreemde brokken zwarte Steen.) Je kunt er – ook hier weer – uren rondzwerven met alleen een enkele keer een paar levende wezens in de verte, zwarte stipjes zo groot als een flinke schelp, in de wind en de zon, het zout in je gezicht en je haar in de war. Strandpaal 52, strandpaal 55, strandpaal 54, ze Komen steeds langzamer in zicht. Dus dan vlei je je even neer in een duinpan, je draait je zó dat de wind niet al te veel vat op je krijgt en, verdomd, het lijkt wel hoogzomer. Je waant je niet alleen jaren terug, maar ook een seizoen verder.
De zuigkracht van het wad
Ale je ‘s-avonds tegen zessen op de harde houten stoelen in de tuin naar de dalende zon zit te kijken, doe je dat dan ook met een roodbruin verbrand hoofd. Dat maakt een gezonde indruk. Zo’n wandeling, waar ook , is natuurlijk gezond, maar evengoed niet weinig vermoeiend. Hoe de kinderen het klaarspelen na afloop nog eens een uur op het wad te gaan spelen is me aanvankelijk niet helemaal duidelijk. Laarzen aan en dan maar blubberend en soppend door de slibbige bodem rondstappen en in drooggevallen bootjes klimmen, met veel te grote spaden in grond zeepieren omhoog wroeten. Maar op een gegeven moment ga je zelf toch ook, elke dag weer, met maat-48-laarzen aan, van de buurman geleend en met twee paar dikke sokken nog wel te dragen. De eerste twintig, dertig meter vanaf de basalten zeewering onderaan de dijk valt redelijk goed te belopen, zo nu en dan wat ongelukkig neergevlijde slakkenhuisjes of schelpen verpletterend. Verderop aan de watergrens ligt ordeloos nog een sliert basaltblokken en houten paaltjes in een onnozel aandoende poging de opkomende vloed een halt toe te roepen, bepleisterd met mosselen en zeepokken. Daartussen wil het nog wel eens zacht aanvoelen. Of je in een pot Gluton stapt. Een niet al te stevig aan de voet zittende laars raakt op die plekken gemakkelijk los. Tussen de talrijke begroeide voorwerpen die op het wad blijven liggen, roestend of rottend, zie ik trouwens ook een laars, vergrijsd en dichtgeslibd, overweldigd door de enige terechte bewoners, de slakken en de mosselen. Eigenaar onbekend. Maar ik kan me daar rondscharrelend zo voorstellen dat hij zich als argeloze bezoeker te dicht bij de zee waagde, die hem vervolgens als eerste waarschuwing zijn laars ontfutselde. De zuigkracht van het wad, letterlijk en figuurlijk. Als je in het beginstadium van het eb over die natte vlakte gaat, hóór je die kracht ook. Een zacht borrelend gesis, het oergeluid waarmee in een duister verleden het land aan de zee werd ontrukt. Het water zakt in de grond, miljoenen minieme zandkringeltjes vormend. Op het eerste oog zie je ze aan voor zeepieren. Maar ze verkreukelen onder de grove stappen van je grote laarzen. Je hebt het idee door een meer dan prehistorisch landschap heen te banjeren. Maar je weet ook dat het over twaalf uur weer precies hetzelfde is, even ongerept en ongeremd. Dus de volgende dag ga je opnieuw, met verbazing kijkend naar het in zee stromende water, dat slingerend onverbiddelijke sleuven trekt langs de weekste plaatsen in het zand. Men uitstekende illustratie van aardrijkskundige betogen over de meanderloop van de Maas. Schaal l op 5000 of daaromtrent.
Tevreden stap je daarna over de dijk. Je laat je naar beneden vallen langs de steile grashelling aan de andere kant. Wat met laarzen van een forse maat aan je voeten niet eens zo eenvoudig is en ook gegarandeerd de lachlust opwekt van Caspar en Remco. Zíj zijn met passender exemplaren uitgerust. Via de lange tuin kom je weer terecht in het huisje aan de Dorpsstraat. Alles “klopt” maar je ziet met twijfel het moment tegemoet waarop het beeld dat je had bij het vertrek uit Harlingen nu weer wordt verstoord. Ik ga ervan uit dat zo’n moment op Vlieland toch onvermijdelijk is, al was het alleen maar omdat er een soort natuurlijk evenwicht heerst tussen verwachting en ontgoocheling. het komt later, na het eten, al is het dan niet in al te schokkende vorm. Met Riet loop ik op de derde dag om een uur of tien nog even een straatje om. Je kijkt onwillekeurig bij de huizen die je passeert naar binnen en langzaam maar zeker dringt het tot je door dat het grootste deel van de bevolking – temidden van teakhouten wandmeubels en schuin gezette bankstellen – naar de televisie zit te kijken. Of ze in Arnhem wonen of Udenhout, net als in Alkmaar en Roermond. Het is logisch, natuurlijk, en ze hebben groot gelijk maar het komt toch wat irritant bij me over. Het is niet alleen in tegenstelling met wat je hoopt en verwacht, maar ook in tegenstelling met wat er werkelijk ís. Het blijft een eiland met een Januskop, een wad vol tegenstrijdigheden.
Koninginnedag 1975
Een uiterst gedenkwaardig gebeuren en eigenlijk zo toepasselijk op dit Vlieland van nu is de viering van Koninginnedag. Een mixture van brave oude chauvinistische gewoonten en toeristische toevoegsels. Waarbij het vroegere, wat dorpse karakter de boventoon voert, een gevolg van de maar eenmaal per jaar voorkomende festiviteiten én de onvermijdelijk afgelegen ligging.
’s Morgens verschijnen er twee herauten te paard in de straat, gehuld in Gouden Eeuwse kleding, een met een trompet, de ander met een papier in de hand. Een rudimentair gebruik uit de tijd dat de lokale bevolking grotendeels analfabeet moet zijn geweest of althans niet wist welke dag het was. (Als het al niet ingevoerd is voor de toeristen, net als de trottoirloze bestrating en de elektrisch verlichte gaslantaarns. Je wordt wat achterdochtig.) De trompetter kondigt met een korte compositie de mededeling
aan van een belangrijke annonce, de ander ontrolt demonstratief het vel papier en roept met luide stem om, dat heden Hare Majesteit de Koningin haar 66e verjaardag viert en dat enig feestvertoon in verband daar mee wel gerechtvaardigd is. Dit alles herhaalt zich om de 50 meter in de Dorpsstraat.
lk was gewaarschuwd en vond het op het eerste gehoor een alleraardigst gebruik, dat ik best eens fotografisch Wilde vastleggen. Wat ik niet wist was dat deze vertoning zich reeds om half acht in de ochtend zou afspelen. Met andere woorden, je wordt op een uiterst ongelegen uur met onherkenbaar getrompetter uit je slaap gewekt. Voordat je je realiseert wat die geluidshinder heeft te betekenen, voel je een onmiskenbare drang om wat er ook aan de hand is even naar de wc te gaan. Als dat is gebeurt, pak je nog duf het klaarliggende fototoestel. Dan blijkt dat de twee herauten inmiddels al vele tientallen meters verder hun boodschap uitdragen, te ver weg om vanuit het huis een foto te nemen. Bovendien is het op dat uur nog te fris om ongekleed naar het einde van de straat te hollen. Wat terneergeslagen ben ik toen maar weer naar bed gegaan. ln de verte ging het aankondigen van de verjaardag van Hare Majesteit onverstaanbaar door, voorafgegaan door het hardere – en daardoor langer doorklinkende – muzikale gedeelte van de blijde boodschap.
Om een uur of negen staan we maar op, iedereen is toch wakker. Het eerste dat ik doe, doe ik in opdracht van de familie A., aan wie ik bij de boeking heb bezworen op 30 april de vlag te zullen uitsteken. Daar heb ik op dat moment al een tijdje slaperig tegenaan gekeken vanuit mijn bed. Hij ligt opgerold over de balken van de zoldering boven mijn hoofd, de gedeeltelijk losgekomen oranje wimpel wat tragisch naar beneden, bewegend bij elke keer dat je deur opendoet. haar nu mag hij dan naar buiten. lk pak het twee meter lange gevaarte en Caspar houdt met behulp van een plank het raam open. Even later wappert het dundoek fier van de Witte gevel, met nog een paar honderd andere zoals ik constateer wanneer ik een blik werp op het resultaat en daartoe mijn hoofd uit het raam steek. Je zou zweren dat het Hare Majesteit had behaagd haar verjaardag in het kader van de voortgaande democratisering dit jaar op Vlieland te vieren en dat straks een open calèche met de koninklijke familie in de Dorpsstraat zou verschijnen. Het is op dit vroege uur voor mij al duidelijk: Juliana lééft.
Hiep hiep hoera!
Bij tienen komen de eerste drumbands voorbij, na het aansteken van de kachel en het ontbijt. Om kwart over tien zal de burgemeester, de heer Rombouts, een toespraak houden vanaf het bordes van het stadhuis, een gerestaureerd pand met glas-in-lood ramen, hooguit 50 meter van ons vakantieverblijf af. Daar moeten we naar toe, dat spreekt. Wanneer we aankomen schijnt de zon en speelt een harmonieorkest goed-vaderlandse liederen. De blauwgeruite kiel van ereburger De Ruyter wordt daarbij uiteraard niet vergeten. Op het in de schaduw gehulde hordes verschijnt even later de burgervader, een vanuit mijn staanplaats enigszins op Ton Lutz gelijkende man – krullig haar, wat benige gelaatstrekken – de ambtsketen over het donkerblauwe pak, zijn duidelijk notabele echtgenote in mantelpak aan zijn zijde. Hij houdt een opgewekt en eigentijde betoog over de verjaardag van de koningin, met een gezicht of hij al jaren op Soestdijk over de vloer komt, maar met de ondertoon van de van een burgemeester verwachte onderdanigheid en loyaliteit ten opzichte van de vorstin. Het is alleen jammer dat de geluidsinstallatie niet geheel in orde is en dat zijn speech op de meest onverwachte ogenblikken vervliegt in de immer aanwezige zeewind of teloor gaat in een onaangenaam gekraak van de versterker. Het mag de oranjepret niet drukken en na een driewerf hoera hervatten de muzikanten hun chauvinistisch getinte nummers, luidkeels bijgestaan door de verzamelde menigte. Als tenslotte het Vlielands volkslied is verklonken, wordt het Wilhelmus ingezet en op vooroorlogse wijze massaal meegezongen. Op straat, pet of hoed in de hand. Waar maak je dat nog mee? Flarden van prille jeugdherinneringen Komen boven, de tijd van dansen op straat, dixielandbands op vrachtwagens, oranje lampjes in de winkelstraat om de hoek, de tijd dat iedereen wist – en ook wilde weten – dat het Koninginnedag was. Een romantisch, wat onwezenlijk gevoel.
Dat gevoel hou je de hele dag. Als we ’s middags het dorp voor een wandeling verlaten, is er in café-restaurant Bruyn een oranjebal aan de gang. Een bandje speelt evergreens met een modieuze, syncopische begeleiding, in de veronderstelling daarmee moderne amusementsmuziek ten gehore te brengen. De bevolking twist en swingt voor de open ramen. Buiten hangen tieners rond in de zon, flirtend en kopjes gevend aan plaatselijke schoonheden. Ouderen, duidelijk iets of meer aangeschoten, lachen net te hard om de aandacht niet te trekken en hebben opvallend veel plezier, plezier in het leven op zo’n vrije dag, plezier in de mogelijkheid om vandaag eens een beetje uitgelaten te doen, een geintje te maken met meisjes die ze anders niet eens zouden aankijken. Uitbundig lol maken, prachtig gewoon.
En als we na een bezoek aan het eeuwige strand en de zingende bossen langs de vuurtoren afdalen naar de Dorpsstraat, blijkt er in de lagere school een poppenkastvoorstelling of iets van dien aard te zijn geweest. Tientallen kinderen en moeders stromen naar buiten, opgewekt en in Oranje-bovenstemming. Ze lopen in mijn beeld als ik probeer een foto te maken van de uit 1647 stammende kerk. In mijn achterhoofd geef ik ze, binnensmonds vloekend, groot gelijk en ga naar het naastgelegen kerkhof dat op Remco een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent, zodra hij het in zicht krijgt. Hoewel ik moet toegeven, dat gestorvenen met een naam als Meilom Hoedemaker mij toch ook wel intrigeren. Verder liggen er talrijke Lists, Bruyns en – hoe kan het ook anders – Vissers en Zeilmakers. Hun namen staan gebeiteld op strakke, steriele stenen anno 1975 en op zerken van voor de eeuwwisseling, bemost, groen uitgeslagen en scheefgezakt. Het verleden loopt ongemerkt over in het heden. Vlieland blijft Vlieland, ondanks alles.
Weer terug naar huis door de versierde Dorpsstraat. Nog steeds hangt er een onverbloemde feestgeur boven het eiland, de oranjezon schijnt en we worden opnieuw in de jaren vijftig ondergedompeld. Bij Bruyn’s café hangt iedereen iets verder onderuitgezakt, maar voor de rest is alles nog hetzelfde. Naast het stadhuis, uit “De Oude Stoep” klinken smartlappen. lk hoor ze nog steeds als ik achter in de tuin zit met een pilsje. Uit de wind is het nog lekker warm.
Toenemende wind
De volgende dag is het weer niet zo best. Stormachtig, flarden zon, de bomen staan krom in de straat. De avond tevoren had het al geregend, wat ook – jawel -daadwerkelijk merkbaar was geweest in de huiskamer. Nu waai je bij vlagen uit je broek. Wat overigens niet wegneemt dat het lekker lopen is door de duinen, jekkertje dicht, mond open, naar adem happend. In de middag ga ik er met de kinderen op uit om hout te verzamelen voor de allesbrander, die we nu maar voortijdig aansteken. ’s Avonds neemt de wind toe. Tegen zessen is het nog slechts met moeite mogelijk enige etenswaren en alcoholica in te slaan. De overwintering begint en we zijn erop berekend. Plotseling denken we eraan, dat we de volgende dag naar huis teruggaan en dat de buren voor de planten hebben gezorgd. Met andere woorden, het minste dat we kunnen doen, is een typisch Vlielands artikel voor hen mee te nemen naar Den Haag. Er is keuze tussen bierglazen met gebrekkig geschilderde vuurtorens en veerboten, grote on-Vlielandse schelpen, theelepeltjes met de omtrek van het eiland of – alweer – de vuurtoren en T-shirts met erop gedrukt “Wees wijs met de Wadden”. Omdat ik mijn buren nog niet met een T-shirt zie lopen en de rest me als esthetisch totaal onverantwoord tegen de borst stuit, zie ik me gedwongen aan te dringen op iets anders. Na enig heen en weergepraat komt de eigenaar te voorschijn met een stapeltje kleurenreprodukties van zonsondergangen, meeuwen in tegenlicht en duinpannen met
artistieke helmbegroeiing. En dat alles op posterformaat. Ik zoek een van de beste uit voor de buren en neem voor mijzelf een fotoaffiche van het eiland, genomen Vanuit een vliegtuig ter hoogte van de bossen achter de vuurtoren. Het hele dorp staat erop, inclusief de in bloei staande bomen van de Dorpsstraat, die weliswaar het wegdek en de huizen aan het oog onttrekken, maar de achtertuin herkenbaar intact laten. Een document met gevoelswaarde.
Vaarwel
De dag erna gaan we terug, in de stilte na de storm, die voornamelijk wordt gekenmerkt door een forse bewolking en vlagen sombere, miezerige regen. Het wordt inderdaad tijd om op te stappen. De avond tevoren heeft de nieuwslezer voorspeld dat de drukte vóór het Pinksterweekend waarschijnlijk al zal beginnen op vrijdagmiddag. Nu zullen de files over het algemeen wel naar het Noorden zijn gericht en gaan wij de andere Kant op, maar het lijkt ons toch wijzer in plaats van de geplande avondboot de afvaart van 12 uur te nemen. High noon. In de paar uur die ons ‘s morgens nog resten, lopen we met z’n allen nog een korte ronde over de dijk. Aan het eind beklimmen we voor de laatste keer het duin naar de vuurtoren. Het is om weemoedig van te worden. Over de tuin kijken we nog eenmaal naar het – ondergelopen – wad. In de verte ligt de veerboot tussen de nevels van de alweer dalende motregen.
Na een paar boterhammen leveren we de sleutel in aan de overkant, op nr. 46. Mevrouw Dompselaar neemt ze in ontvangst. Ze vindt het ook maar niks, het weer. Je kan beter wind hebben, denkt ze. Daar kun je je tenminste op kleden. We geven haar groot gelijk. En daarom gaan we ook weg. Hoezeer het ons ook aan het hart gaat. Weg van Vlieland, eiland van wadlopers en randstedelingen, van het Maarten Tromphuis en cafetaria “De Inwip”, van natuurliefhebbers en wegwerptoeristen, van 1948 en 1975.
