In 1976 heeft Leo gereageerd op een oproep van Vrij Nederland om iets over hun manier van wonen te schrijven. Helaas kreeg Leo’s inzending te weinig punten van de jury om geplaatst te worden in de bijlage van VN.
Ervan uitgaande dat je gemiddeld 8 uur werkt en 8 uur slaapt, blijft er nog eens 8 uur voor jezelf over. In die tijd verblijf je – althans voor het grootste deel – maar in één ruimte, de huiskamer. Daarin moet je dan ook wel kunnen huizen, kunnen wonen, met andere woorden: kunnen leven. En dan nog het liefst prettig leven, op de manier die jij leuk vindt, als tegenwicht voor de 8 uur die je net achter de rug hebt. Een kamer als een grote gemakkelijke steel, met een uitzicht op al het andere om je heen. Een stoel waarop je niet in slaap valt, maar waarin je je ook niet hoeft te schamen om een dutje te doen als het zo eens uitkomt, een stoel waarop ook andere menden met plezier gaan zitten, een stoel die niet dwingt om te blijven zitten maar waarin je later toch met genoegen terugvalt.
Dat klinkt pretentieus en hier en daar tamelijk egocentrisch – het is in zijn geheel dan ook onhaalbaar. In de praktijk komt het erop neer dat je die persoonlijke wensen om te beginnen moet leggen naast die – zoals in mijn geval – van je vrouw en (twee) kinderen. Tenslotte zal ieder van hen zich happy moeten voelen in huis. Daarmee kom je ~ overigens terecht – uit op een compromis, tenzij de verschillende “eisen” overeenstemmen. Dat wordt in de meeste gevallen al moeilijk, omdat een van de belangrijkste eisen vaak niet is in te willigen: ruimte, de voor iedereen – en met name voor kinderen – zo noodzakelijke ruimte. En los daarvan wordt helaas met het kleine beetje beschikbare ruimte geen rekening gehouden, omdat de obligate aankoop van volumineuze bankstellen, wandmeubels, TV-tafels en eethoeken veelal in geen enkele verhouding staan tot de gehuurde of gekochte oppervlakte. Maar ja, elk getrouwd paar wordt geacht een forse uitzet ter beschikking te hebben, een degelijke zit- en eetgelegenheid en god weet wat al niet meer, als het even kan voor het leven. Dat werkt een tweede negatieve ontwikkeling in de hand: het vasthouden aan één inrichting gedurende de eerstvolgende tientallen jaren. Negatief in die zin dat elke creatieve aanpassing aan tijd en/of smaak op die manier wordt vermeden. Tien, twintig jaar geleden dacht men andere dan nu, daar is iedereen het over eens. Over twintig jaar ligt dat weer totaal andere, meer dat zien een heleboel mensen helemaal niet. Niets blijft hetzelfde, ook jijzelf niet. Je opvattingen veranderen, je smaak, je behoeften, ook al in verband met wijziging in gezinssamenstelling, inkomen, e.d. Misschien niet essentieel, maar ze veranderen toch als je een beetje oog hebt voor de wereld en de ontwikkelingen op bijvoorbeeld artistiek, technisch en maatschappelijk gebied.
Dat moet naar mijn mening – al is het maar zijdelings of indirect – wel degelijk ook tot uitdrukking komen in de inrichting van een huis en dan met name de woonkamer. Dat betekent in de praktijk echt niet dat je in modieuze uitwassen hoeft te vervallen of permanent bezig bent alle meubelen te verschuiven, van de hand te doen, nieuwe te kopen, wanden weg te breken, enz., enz. Nee, je moet gewoon vermijden dat het geheel te statisch wordt, te stijf en strak om nog ooit in beweging te worden gebracht. Dat vereist de wil om flexibel te zijn en niet vast te houden aan één bepaald patroon dat toevallig mooi lijkt omdat een aantal mensen uit je omgeving dat als ideaal in hun hoofd hadden of hebben. Kortom, een eigen creatieve benadering van de – zonder twijfel talrijke – problemen bij de inrichting van een huis is noodzakelijk. Daarvoor hoef je heus geen all~round beeldend kunstenaar te zijn. Al ademt een kamer maar een persoonlijke én als zodanig herkenbare sfeer, met een vleugje eigen tijd en een vleugje “eigen product”, zoals een zelfgemaakt of een van de markt gehaald meubelstuk dat je ineens trof, een bepaalde decoratie aan de muur, een paar net iets andere neergezette kistjes, noem meer op. Het doet er eigenlijk niet toe als het maar van jezelf is. En ook dát met een kritisch oog blijft bekijken. Daarbij komt trouwens ook de welvaart om de hoek kijken, die op een gegeven moment de creativiteit kan verstikken door de toenemende drang – misschien van buitenaf opgelegd – naar statusbevestigend of -verhogend meubilair.
Dit alles wil natuurlijk niet zeggen dat de vele praktische aspecten van de inrichting moeten worden verwaarloosd, aspecten als een efficiënte indeling, uitwijkplaatsen voor bijv. niet-TV-kijkers en met name de el genoemde aanwezigheid van kinderen. Naast een (overigens ook voor de ouderen of ouders zeer belangrijke!) hoeveelheid (speel)ruimte is het in dat geval zaak de kamer ook voor hen leefbaar te houden en niet in te richten met al te veel duur of kwetsbaar materieel, dat je als ouder ertoe zou dwingen het kind om de vijf minuten op de vingers te tikken. Het is dan ook onzin ervan uit te gaan dat het bezit van de ouders coûte que coûte tegen de onderzoekende en nu eenmaal onvolwassen gedragingen van een kind beschermd moet warden. Deze stelling kan overigens uitstekend worden gecombineerd met de opvatting statusgevoelig meubilair uit je huis te weren.
Het voordeel dat je vrouw ten opzichte van kleine kinderen heeft, is het gegeven dat je over de inrichting kunt praten, ieder zijn mening kenbaar kan maken en samen met een uiteindelijk voor beiden bevredigend compromis uit de bus kan komen. En gesteld dat de bestaande relatie toch een zekere overeenstemming inhoudt, althans begrip voor elkaars standpunten, lijkt me dat door de bank genomen een redelijk uitgangspunt.
Al met al geloof ik in een huis dat is ingericht met een persoonlijke creatieve inbreng en voor alle bewoners ervan in de behoeften voorziet. Zoals gezegd, dat lukt natuurlijk nooit helemaal, al kom je met een oplettende vinger aan de pols en een voortdurend kritische blik wel een aardig eind.
De enige vaste regel die mij in de praktijk voor ogen blijft staan, hoe dan ook, is een opstelling van de meubelstukken evenwijdig aan of haaks op de wanden, al is het maar in grote lijnen. Dat heb ik niet zelf bedacht, maar de “theorie” heb ik in mijn eigen praktijk van zoeken, passen en meten bevestigd gezien. Je krijgt stukken meer – van de zo broodnodige – ruimte, terwijl het totaalbeeld veel rustgevender is. Bovendien geeft zo‘n basisopstelling een veel groter aantal mogelijkheden.
ln de praktijk krijg je al met al een huis(kamer), waarvan ook de meeste bezoekers zullen zeggen: ik voel me hier op mijn gemak. Desnoods met de toevoeging dat zij het nooit zo gedaan zouden hebben, maar dat is eigenlijk alieen maar logisch. met andere woorden, elk huis dat op die manier is ingericht is andere, maar steeds prettig om in te verblijven. Het tegenovergestelde van de over het algemeen toch nog geijkte combinatie wandmeubel-(schuin gezet) bankstel-televisie in de hoek-tafeltje met wijkende poten-eethoek met kleedje- en ga zo maar door. Maar óók het tegenovergestelde van het door de binnenhuisarchitect uitgemeten interieur, dat weliswaar een objectief soort verantwoorde en esthetische schoonheid bezit, maar daardoor vaak onveranderlijk vastligt, een grotendeels onpersoonlijke opzet heeft en geen eigen ingrepen meer toestaat. Tenzij dit genre interieurs toevallig volkomen je persoonlijke smaak weergeeft. maar daar geloof ik niet zo erg in, ook al roept de bezitter ervan nog zo hard dat dat het toppunt van woon- en leefgenot voor hem is. Ik wil hem het recht niet ontzeggen in die omgeving gelukkig te zijn, maar – al klinkt het arrogant – ik kan het gevoel niet van me afzetten dat dat geluk in die gevallen wordt ontleend aan het uitgangspunt dat wat de meubelzaak, de ouders, de buren of gewoon “iedereen” zegt, de enig juiste oplossing is. Gemakzucht, gebrek aan inzicht hoe het andere kan, vertrossing van de fantasie en creativiteit, die elk mens echt wel heeft. En dat heeft met geld niet eens zoveel te maken. ik zou haast zeggen integendeel, want als je minder hebt moét je veel eerder creatief zijn om ergens iets aardigs van te maken. Dat geldt trouwens ook als je weinig ruimte tot je beschikking hebt. Maar ja, dat potentieel aan te boren en nuttig te gebruiken, dat kost moeite. En moeite doen voor iets dat toch al vaststaat, dat je al lang van te voren weet, dat is een een bezigheid waarvan de meeste mensen het nut – uiteraard – niet van inzien. De vicieuze cirkel is daarmee al gauw rond.
Dat de praktijk over het algemeen afwijkt van de (i.c. deze) theorie, is dus eigenlijk een kwestie van mentaliteit, van creatieve armoede. Een armoede die in onze verzorgingsstaat nog niet is opgeheven dor een cultureel “minimumloon”, zoals bijvoorbeeld een wat uitgebreider diepgaander onderwijs op het gebied van creativiteit, inventiviteit, fantasie, e.d., bij voorkeur gekoppeld aan de ontwikkeling van een zekere algemene handvaardigheid. De verwezenlijking daarvan hoeft echt niet gepaard te gaan met een culturele revolutie, maar zou ingepast moeten worden in de bestaande onderwijsvormen als een noodzakelijk onderdeel van de voorbereiding op een eigen leven in de maatschappij. En daarbij mag je in het kader van een kritische benadering van de mens en zijn werk, zijn vrije tijd, zijn inkomen en nog zo wat zaken ook gerust eens aandacht geven aan de plaats waar de meeste mensen uiteindelijk het grootste deel van hun leven doorbrengen.
Maar zolang het nog niet zover is zou ik – net als een heleboel rechtgeaarde (calvinistische) Nederlanders al doen – de gordijnen nog maar dicht houden.
