Jeugdsentiment

HET HUIS

Het is niet zo moeilijk me het huis van mijn grootmoeder in Kwintsheul voor de geest te halen. Ofschoon het toch lang is geleden, dat ik het voor de laatste keer zag. De eerste bewuste kennismaking stamt uit de tijd dat ik een jaar of vier, vijf was. Later, ik zal toen ongeveer acht jaar zijn geweest, kwam ik er in de grote vakanties met een broertje of een vriendje. Het was een mooi huis met een zwart hek ervoor met goudgeschilderde punten, die als primitieve speren de lucht in staken. Aan één kant grensde het aan een timmerbedrijf, aan de andere kant stond het vrij. Een meter of vijf van het huis ernaast, met daartussen een muur die met enige moeite een buurpraatje nog wel mogelijk maakte. Een granieten stoepje voor de deur dat elke zaterdag werd geschrobd, evenals de bewoners van het huis. Dan werd ook de grand random het huis geharkt voor de zondag. Grond die halverwege overging van grint in pure zwarte aarde. En als je nog verder liep stond links in de hoek een bemost, twee meter hoog muurtje, waarachter om onduidelijke redenen (in het pre-sanitaire tijdperk?) een uiterst eenvoudig urinoir was ingericht. De enige van wie ik me kan herinneren dat hij er serieus gebruik van maakte, was ene Koos van der Berg, de nogal eens naar alcohol ruikende ziekenfondsbode. Hij zal nu wel dood zijn. Teveel gedronken of een longontsteking, ‘s winters opgelopen bij het pissen achter dat muurtje.
De achterste grens van de wurft (erf, werf?, zoals mijn grootmoeder dat gebied hardnekkig noemde, werd gevormd door twee grote schuren. Een daarvan was een zwart geteerde, open houten loods waar het altijd naar carbolineum rook en die was volgestouwd met planken, stromatten, fietswielen en zo. De gebruikelijke rotzooi. De schuur ernaast was opgetrokken uit baksteen en had een ruwe cementen vloer. Onder de deur was – vermoedelijk tegen de gevolgen van al te overvloedige regenval – een drempel aangebracht van ongeveer een halve meter hoogte. Omdat de vloer van de schuur ook weer lager lag dan de  “wurft”, waren er aan de binnenkant een paar treden gemetseld. Dat wist ook niet iedereen en wie voor het eerst van buiten het half duister instapte, viel dan ook meestal languit op het cement. Meest opvallend voorwerp binnen was een enorme wasketel. Die werd gestookt op een houtvuur, dat trouw elke maandag met veel papier werd aangestoken, nadat de ketel was gevuld met ettelijke emmers opgepompt water en vuil wasgoed van de gebroeders Van der Z., tuinders. Daarnaast staat me nog duidelijk het gebruik voor ogen van zakjes blauw en een soort houten roeispaan om de zaak in beweging te houden. Het rook er altijd een beetje levenloos, zo’n steriele harde lucht die precies paste bij het van Reckitt’s doortrokken grauwe cement. De muren werden alleen onderbroken door een boograampje, waardoor je uitkeek op het paadje dat achter de schuren liep langs een met kroos gevulde sloot. Aan de kromgegroeide boompjes die daar stonden, hingen in juli/augustus honderden pruimen. Niemand plukte ze ooit en als je er was, had geen mens er bezwaar tegen dat je je ongans at. Heerlijk, want je kan altijd de beste uitzoeken. Je hoefde er alleen maar voor door de houten loods naar achteren te lopen.
Tussen het washok en het huis liep een lage kippenren, waarvan het groen geschilderde nachthok tegen de slaapkamer aanleunde. Ik kan me herinneren dat de kippen wel eens op het erf rondscharrelden en mijn grootmoeder mais voor hen strooide. Maar later zaten ze steeds in het hok. Net als op zaterdagmiddag en zondag, wanneer alles was aangeharkt. We hadden in elk geval elke morgen ons eitje.
Aan de achterkant van het huis stond een uitbouw, een serre eigenlljk, met daarnaast een betegeld plaatsje. In de hoek daarvan zat een afvoerputje met een schoongeschuurd houten deksel. Op de witgeverfde bank kon je er lekker in de zon zitten.

Via de deur van de serre – waar je je klompen of laarzen moest uittrekken – kwam je in de bijkeuken. Een ruim vertrek dat altijd was gevuld met de vage lucht van de petroleumstellen. Eigenlijk rook alles er, het hout en de gevlochten rieten zittingen van de stoelen, de vloer, de verse grond aan de klompen in de serre, het met de hand omhoog gepompte water, het dunne, wat kalende, gladde leerachtige kleed dat donkerbruin op de tafel lag als er geen koffie of thee werd gedronken. Dit was het woongebied van mijn grootmoeder en haar kinderen, mijn drie ooms en twee tantes. En uiteraard ook voor ons als we er  logeerden.
Vandaar uit kon je ongeveer het hele omliggende terrein overzien. Door het raam in een smalle uitbouw keek je zelfs uit op het voorbijgaande verkeer. Het was het hart van het huis, waar het leven zich afspeelde. Vooral rond de eettafel die tegen het raam aan de zijkant stand. Daar werd de krant gelezen, gegeten, gedronken, geschoren en schoenen gepoetst. Daar ook heb ik ooit – op zeer prille leeftijd – mezelf eens afgevraagd hoe het toch kwam dat het gebreide vest van mijn tante aan de voorkant
zulke ruime, zelfs wat bollende plooien vertoonde. En niet zoals bij mij glad naar beneden viel. Wist ik veel van borsten.

Op diezelfde plaats werd ik indertijd ook geconfronteerd met een vreemd meisje dat dagelijks een rozerig gezicht door het raam naar binnen stak voor een praatje. Op de vraag wat voor weer het zou worden antwoordde ze steevast: “Plaatselijk enkele buien.“, waarop de aanwezige volwassenen in onbedaarlijk gelach uitbarstten. De humor van deze opmerking ontging mij, totdat ik erachter kwam dat het meisje een ongevaarlijke dorpsgek-in-spe was die op zo ongeveer elke zinnige vraag met enkele buien  kwam aandragen.
Links, achter de zwarte kolenkachel, was de toegang tot de slaapkamer van mijn oma. Daar kwam je als kind eigenlijk nooit, alleen weet ik dat ’s zomers het raam naast het kippenhok altijd openstond. Verder zie ik mijn grootmoeder nog voor me met het lange haar dat zij ’s avonds losmaakte en ’s morgens weer tot een knotje in elkaar vlocht. Dat deed ze altijd in de woonkeuken. Het haar hing dan vrij tot ver over haar rug, lange grijs-zwarte golven, die haar gezicht kleiner en ronder deden lijken. De enkele keren dat je dat zag voelde je je ergens toch een voyeur. Ze droeg altijd zwart, al sinds de tijd dat m’n grootvader dood was, ver voor de oorlog. De enige variant die ze zichzelf toestond was soms een bebloemd schort, maar niet al te fel van kleur en steeds met een zwarte achtergrond.
Op de bijkeuken kwam een deur uit naar de gang, die bij de voordeur eindigde. in die gang was ook de deur naar de voorkamer, een heiligdom waar alleen bij uitzonderlijke gelegenheden werd piaatsgenomen. Een tafel met een kleed, rechte met harde plucheachtige stof beklede stoelen, tegen de muur een dressoir met aan de bovenkant een paar glazen schuifdeurtjes, waarachter het glaswerk. De kamer werd duidelijk nooit gebruikt. Er werd wel eens wat uitgehaald of naar toe gebracht. Meer niet. Het was het soort vertrek, waar ernstige zieken verblijven of op sterven gaan liggen. Het in gereedheid gebrachte schone, zondevrije voorportaal tot de hemel. Wanneer je er als kind eens naar binnen ging, stiekem, werd je er even gauw weer vandaan gehaald. De eerste tastbare herinnering van mijn legale aanwezigheid gaat ver terug. Ik zat op de schoot van de dokter, van wie ik bij geruchte had vernomen dat hij goed kon tekenen. Op mijn verzoek tekende hij toen een paar poezen en een hond. Het vel papier, waarop ze stonden heb ik trots nog lang bewaard. Tenslotte waren ze getekend door iemand die in de voorkamer was ontvangen, een notabele die op even eenzame hoogte stand als het hoofd van de school of de pastoor.
Bij de voordeur, aan het eind van de gang, liep een degelijk beloperde trap naar de eerste etage annex zolder. De “jongens” (mijn ooms) sliepen daar onder de kap, mijn tante in een uit in elkaar geschoven planken opgetrokken kamertje met blauw zeil. Waar de tweede tante voor haar huwelijk toentertijd was gehuisvest is me achteraf niet geheel duidelijk meer. Als je op een stoel voor het dakraam – het enige aan de voorkant – ging staan, keek je uit op de vaart die voor het huis langs liep. Waar de Kwintsheulse Zuiderwijken, Knapen, Noordermeers en Van der Zandes hun met kisten druiven en tomaten volgeladen boten voorbij boomden naar de veiling. En soms een enkele motorboot zoals die van de buren, een zwart schip met een gele rand waar je bovenop keek.
Argeloos voor dat raam staande moest ik eens plotseling overgeven. In plaats van te blijven staan en het braaksel langs de pannen in de dakgoot te laten lopen, keerde ik me in een vreemde reflex om, zodat alles anderhalve meter lager op het glimmende blauwe zeil terecht kwam. Waarom weet ik niet. Een impuls om bij gevaar terug te trekken vermoedelijk. Mijn tante die ook in de kamer zat, was er niet gelukkig mee.
In de houten wand zat een tussen de nerven nauwelijks zichtbaar, onnatuurlijk langwerpig gat. Dat was erin gestoken door mijn oom K. in een balorige bui, met een zwaard dat op de Duitsers was veroverd. Of daar op de een of andere manier per ongeluk was achtergelaten. In de hoek achter de wand stand het bed van oom K. Het bed was, net als alle andere bedden op zolder, een twijfelaar. Van blank, door veelvuldig gebruik schoon en glimmend versleten hout, dat een wat hoger liggende donkere nerf liet zien. In de andere hoek aan dezelfde kant van de zolder stond een witgeverfd ijzeren bed van het soort komische films werd gebruikt. Of er wieltjes onder zaten weet ik niet meer. Hier sliep oom A. in elk geval ooit. Net als ik, in de houten twijfelaar onder molton dekens.
Als je van daar uit naar de tegenoverliggende hoek liep passeerde je het enige raam op zolder. Het was langwerpig en je kon het met enige moeite als kind openschuiven. Wat we natuurlijk – te pas en te onpas – deden, vooral in de zomer. Rommel naar beneden gooien en weer terug. Totdat je van bovenaf iemand zag komen, uit de schuur of uit de serre. Dan trok je je snel terug en zag met enig leedvermaak, één oog langs de spanning, hoe de argeloos doorgooiende logé beneden werd gewaarschuwd het niet al te bont te maken. Zij het vaak met een glimlach op het gezicht, achteraf – en soms van bovenaf ongeweten zichtbaar.

Voorbij het raam, naar de andere hoek. Daar sliep oom T., een gebruinde man die ‘s zomers ongeveer zwart was, net als zijn glanzend achterover gekamde haar. Naast zijn houten twijfelaar – tot aan de trap- was een kastruimte van behoorlijke omvang gebouwd door van circa twee meter hoogte, vanaf het schuine balkendak, een houten wand loodrecht op de vloer te laten zakken. Daarachter hingen in een netjes afgescheiden gedeelte de zondagse (en waarschijnlijk ook doordeweekse) pakken en overhemden. De rest van de kast was voor ons veel aantrekkelijker. Daar stonden talloze weckflessen en – potten met de meest uiteenlopende groenten en vruchten, uiteraard uit eigen tuin. Ik zie de snijbonen nog staan, met een draadje soms en tamelijk zout van smaak. Dat scheen bij het wecken te horen. Ofschoon de gekookte perenpartjes toch verre van zout waren. En de grote tuinbonen, bleke organen van een onbekend Westlands beest, kan ik me eigenlijk niet méér herinneren dan dat ze nogal melig smaakten. Wijn maakten ze niet, hoewel de druiven in die tijd ter plaatse het meest verbouwde product vormden. Alcoholgebruik werd trouwens tot een minimum beperkt. Maar het juiste zicht daarop kan in mijn kinderlijke nuchterheid wat beneveld zijn geweest. Uit latere jaren weet ik van het uitschenken van glaasjes Samos, een Griekse muskaatswijn die oom A. indertijd gewoon was op zon- en feestdagen tot zich te nemen.
En dan liep je weer naar beneden, die rode loper af, tot de voordeur waarnaast in de hoek een laag, bleek geschilderd kastje stond. Vermoedelijk bevatte dat een electriciteitsmeter en dat soort dingen. Deed je de buitendeur open, dan stond je op het granieten stoepje. Middenin wat nonchalant zwart-wit gepikkeld, langs de randen twee stroken van zwarte, strak ingelegde steentjes. Neg even verder en je was op straat, een met vuil-roze visgraatsgewijs geplaveide klinkers bedekte weg, de Lange W.kade. Erlangs liep een vrij brede vaart, van wegdek gescheiden door een betonachtige opstaande rand, met op regelmatige afstanden ingemetselde ringen waaraan de schuiten konden aanleggen. Het was de route vanuit het dorp zelf en de daarachterliggende tuinderijen naar de even verderop gelegen veiling.

DE WEG

De gebroeders Van der Z. liepen elke ochtend, in de zomer al om 4 uur, naar hun tuin. Het hek uit en dan linksaf, langs de smederij die bijna de hele kade in beslag nam. Een zwarte, lange werkplaats die tot op straat doorliep onder een enkele meters brede overkapping. Een station uit een spookverhaal waar alleen nog maar onzichtbare treinen reden met dode tuinders, met onder het beluifelde gedeelte buiten niks anders dan volkomen waardeloze, vergane vaten en kisten, stukken ijzer, bizarre verbogen stukken metaal, gasflessen met in het niets verdwijnende geblakerde rubberslangen. Het bleek achteraf de voormalige veiling te zijn geweest, het idee van een, station was niet helemaal ten onrechte. Er stonden ook -en dat was op wat latere leeftijd interessant- tonnen met carbid. Met Oudejaar fietsten we dan naar Kwintsheul en kochten daar voor een paar dubbeltjes dit in de stad allang vergeten explosief. Een stuk in een busje met een gaatje achterin, even erop spugen, deksel stevig op de bus en een luoifer bij het gat, waar dan een of ander gas uitstroomde. Je voet op het busje, anders vloog dat tegen je hand, en de deksel dreunde rinkelend over straat. Om te vermijden dat je telkens achter het weggevlogen dekseltje moest aanhollen, maakten we het later met een touwtje vast aan de bus. Dan had je de klap en was de volgende een kwestie van seconden. Op een flinke klodder deed-ie het zo wel een keer of vijf.
Naast de smederij was de timmerzaak van oom K., geen echte oom maar een familielid ter hoogte van mijn grootmoeder of daaromtrent. De omgeving rook er naar hout, vers gezaagd hout, altijd. En dat legde die brave man geen windeieren. Na zijn dood, zo hoorde ik later, had hij zijn vrouw H. ongeveer een halve straat nagelaten. Zij is dan ook -terecht- rustig gaan leven, met
name toen ze ook de goedlopende houtzagerij had verkocht. Nu woont ze in hetzelfde huis als mijn grootmoeder, een van haar eigen bezittingen.
Voorbij het timmerbedrijf ging je omhoog naar de brug langs wat kleinere huisjes met een grauw gepleisterde voorkant. Rechtsaf over de brug kwam je op de “grote” weg die vanuit Wateringen door het dorp liep. Daar stond je ‘s zomers verbaasd toe te kijken hoe jongens, even oud als je zelf was, met veel gevoel voor publiciteit in flodderige onderbroeken van de leuning in het water sprongen. Sommigen konden niet eens zwemmen. Ze trappelden klauwend en spartelend als een hond door het water, waarin toentertijd nog wel eens zichtbaar was dat de riolering van een aantal belendende huizen erop uitkwam. Een vorm van volledig aanvaarde natuurlijke vervuiling, die nauwelijks als zodanig werd aangemerkt- Het was eigenlijk meer een integratie tussen mens en omgeving, die soepel en geluidloos verliep. Vanzelfsprekend haast.

DE TUIN

Na een paar honderd meter grote weg viel er aan de linkerkant tussen de huizen een gat, de met koolas geplaveide toegang tot de tuin van mijn ooms. Eerst kwam je langs een groot huis, waar later oom K. zou gaan wonen en er op een gegeven moment met 14 kinderen in gehuisvest zou zijn. Maar zover was het indertijd nog lang niet.
Je liep over een smal pad door de tuin van een ander, langs lage broeikassen, warenhuizen, spruiten en boerenkool in de openlucht. Dan sloeg je ergens rechtsaf, vóór een kas, en passeerde zodoende de grens. Aan het eind van het paadje stond je aan een met pruimenbomen geflankeerde sloot, vrij breed, nogal wat kroos, vol kikkers. Wéér langs kassen, lage en van de gebruikelijke hoogte, open stukken met groene koppen boven de grond. En opeens stond daar dan de schuur, een -afgezien van de vuilwitte muren- zwartgeteerd houten bouwsel, waar net altijd rook naar houtwol en carbolineum. Afhankelijk van het seizoen was die geur vermengd met de lucht van druiven, perziken, meloenen, komkommers, tomaten en dergelijke. Die schuur was het strategisch middelpunt van de hele tuin, waar de geoogste producten werden verzameld en gesorteerd- Waar de veilingpapieren werden ingevuld op een oud kastje of aan de uiterst stevige, vuistdikke werkbank. Waar bij slecht weer de buitenwerkers schuilden voor de regen. Waar ook koffie en thee werd gedronken uit pokdalige emaille bekers of voor huishoudelijk  gebruik afgekeurde kopjes. Koffie en thee die in een grijsgevlekt, geëmailleerd keteltje werden gebracht op een vast tijdstip. Helemaal helder staat het me ook niet meer voor de geest. In het keteltje kan ook warm eten hebben gezeten, want mijn ooms bleven ook wel eens over in de schuur. Evenmin weet ik nog wie het nu precies kwam brengen- Misschien wel tante I., die in haar akela- en vóór haar kleuterleidstersperiode bij mijn grootmoeder thuis werkte. Maar het was er. Een ritueel waarvoor de “jongens”  allemaal uit de tuin kwamen, later met Jan Mooyman, de knecht die ze op een gegeven moment in dienst namen. Bezweet, in hun hemd of althans in forse mate ontbloot. Wie ooit in de zomermaanden in een kas is geweest -alleen maar geweest- weet hoe godsgruwelijk heet het er kan zijn. Laat staan als je er moet werken.
Onder het afdak voor de schuur stonden over het algemeen wel een aantal kisten en kistjes opgestapeld met druiven, tomaten, komkommers of meloenen. Er viel altijd wel wat af, zodat je steeds te eten had. Een trosje druiven, een stuk van een meloen die gedeeltelijk beurs was, een paar tomaten of een onder de voet gelopen komkommer. Ze werden vanuit de tuin aangevoerd door middel van uivers, een soort kruiwagens, buizenframes op één wiel, voorzien van ’n luchtband. Als je trots met een paar kistjes tomaten erachter liep, was de grootste kunst de hele zaak in evenwicht te houden. Er zal wel eens zachtjes gevloekt zijn als er een paar veilrijpe tomaten tegen de vruchtbare grond gingen. Maar misschien lieten ze je alleen maar kneusjes rijden. Wist jij veel. 

In de schuur kon je als kind overigens fijn spelen. Bankjes, kisten, tafeltjes, gereedschap, spijkers. Dat alles in een wat duistere ruimte waarvan de wanden en het plafond waren versierd met toen al zeer oude foto’s en knipsels uit de vreemdsoortigste tijdschriften. Een ladder leidde door een vierkant gat in het uit planken en balken plafond naar een vlierinkje. Daar lagen voornamelijk balen stro en rietmatten die in de winter werden gebruikt om de lage broeikassen mee af te dekken. Verder wat oude rommel, latten, planken en zelfs wat wankel meubilair. Al met al een ideaal oord om in te rotzooien. Heel interessant was ook de voor een van de ramen staande radio, een bejaard model dat echter in mijn ongeoefende oren nog een uitstekend geluid voortbracht. De enige die niet met het apparaat kon omgaan was Jan Mooyman, die kans zag de radio constant nét naast de  zender af te stemmen. De land- en tuinbouwberichten om half een werden dan ook vaak voorgelezen door een enigszins slissende omroeper.

Voor de schuur lag de schuit waarmee de druiven, tomaten, enz. naar de veiling werden gevaren. Een simpel plat vaartuig, bedekt met een laag stevige planken die naar behoefte konden worden weggehaald, als de lading dat vereiste, kortom het bekende model. We mochten er zelf ook mee gaan varen als hij niet in gebruik was. Met de lange, voor ons nagenoeg  onhandelbare boom de boot naar het einde van de tuin duwen, voorbij de boomgaard, tot je bij een dwars op de sloot gelegen, brede vaart kwam. Daar liep het manoeuvreren nogal eens uit de hand, omdat je van de kant af niet meer kon bijsturen en het water tamelijk diep was, waardoor je tamelijk weinig boom overhield om het geheel vooruit te krijgen. Plus de kans dat de boom in de modder bleef steken en je gedwongen was hem los te laten om niet in het water te vallen. Dan dreef je hulpeloos rond tot de schuit in het riet strandde en dwars op de stroom kwam te liggen. Met wat geluk wisten we de boom na een paar keer duwen en afzetten van de kant wel weer te grijpen. Maar de schrik zat er wel een beetje in, de angst om via de voor ons toch al vrij brede vaart af te drijven naar stééds grotere en wijdere rivierarmen, om dan tenslotte te belanden in de open zee of iets dergelijks. Een oeverloos geheel, waarbinnen je als een hulpeloos insect alleen nog maar kon wachten op de hongerdood. Nee, dan zat je toch met een wat safer gevoel óp de schuit als een van mijn ooms -meestal oom T.- ermee naar de veiling ging. Je zat niet gemakkelijk, dat is waar, tussen of tegen de hoekig-harde kistjes, maar de kick van het varen deed je dat ongerief gauw vergeten. Een volledig onvergelijkbare ervaring als jongetje dat alleen bus of tram en een enkele keer de trein als vervoermiddel kende. Tenzij je achter op de fiets zitten als een serieuze wijze van vervoer beschouwde. Daarbij kwam dan nog het gevoel van te gast te zijn, je te kunnen laten voortbewegen door een ouder familielid dat normaliter als een “meerdere” werd beschouwd. Deze ervaring ging daarnaast gepaard met een mengeling van ontzag en verbazing voor wat de voortbeweging van het vaartuig betrof. De boom ging namelijk vaak in de sleuf voorin of achterin, terwijl de bedienaar ervan langs de kant liep en het geheel voortduwde. Je zou dus mogen verwachten -zoals ook bij jezelf gebeurde- dat de achterkant van de boot eens tegen de wal zou worden aangedrukt of op zijn minst ernstig scheef zou worden getrokken. Maar op de een of andere manier gebeurde dat toch nooit. Daar sta ik nu nog van te kijken.

DE VEILING

De veiling lag aan de overkant van de Lange W.kade, een eindje voorbij het huis van mijn grootmoeder. Een gebouw dat voornamelijk bestond uit enorme, muurloze opslagruimten, waar altijd stevige, in grijze jasjes gehulde tuinders of veilingemployees rondliepen met grote handen en dikke sigaren. Verder stapels kisten en kistjes, rondgereden op uivers en grote platte wagens die zorgvuldig waren volgeladen. Daarop kwam de confrontatie tot stand met de kopers, grossiers en groothandelaren uit de omtrek. Dat gebeurde in het heilige der heiligen, een relatief bescheiden ruimte die voor de helft werd ingenomen door een tribune van eenpersoonsbankjes met een drukknop. Wie daarop drukte, was gedwongen het voorgereden assortiment groente en/of fruit te kopen tegen de prijs die op dat moment op de tegenover hem hangende “klok” verscheen. Daarop draaide een wijzer rond als bij een weegschaal, waarop stiekem steeds meer mensen gingen staan.
Achteraf, tegen de avond, kwamen de tuinders dan naar de veiling om een paar briefjes en formuliertjes uit een manshoge kast te halen. Die was verdeeld in enkele honderden vakjes, met voor alle tuinders een nummertje. Daar kwamen ze aan de weet wat de handel die dag had opgebracht. En ze hadden niet te klagen. Medelijden hoefde je in elk geval niet met hen te hebben. 
De meest persoonlijke herinnering aan de veiling heb ik overgehouden aan een zomerdag, toen ik met een vriendje op de schuit was meegevaren. Op het platte dek lagen wat tijdens het lossen verloren tomaten. Terwijl het vriendje mij vanaf de kant van een van de insteekhaventjes bekogelde met wat losliggend fruit en ik de tomaten van de boot naar zijn hoofd gooide, verloor ik bij een forse worp het evenwicht om vervolgens integraal in het water te belanden. Zwemmen kon ik nog niet en mijn grootste onderdompeling tot dan toe had plaatsgevonden in de teil bij mijn moeder thuis, elke vrijdagavond. Meer verbaasd dan direct verschrikt dook ik onder, een donkergroen waas voor mijn ogen, zonder adem maar zonder in ademnood te komen. Ik dreef weer naar boven, stootte mijn hoofd tegen de schuit en zag de blauwe hemel. Op hetzelfde moment werd ik vastgegrepen en aan boord gesjord. Dat was alles. Mijn grootmoeders huis was dichtbij, het was warm weer, dus veel ellende zat er niet aan vast. Toch moet ik er vaak aan denken bij een bezoek aan Kwintsheul, bij het zwemmen of als iemand over een veiling praat. De eerste emotionele confrontatie met de oerbron van al het leven. Of toch gewoon de schrik?

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *