“Deze zomer bezocht ik voor mijn boek Pater Familias het Rijksarchief in Den Haag. Ik was vroeg klaar en besloot daarom nog even mijn oude buurtje aan te doen.
Gewoon wat rondrijden in het Benoordenhout, wat nostalgie opsnuiven in de wijk waar ik ben opgegroeid.
Toevallig was er een parkeerplaats vrij voor mijn ouderlijk huis in de Paul Gabriëlstraat. De zon scheen weldadig, waarom niet even uitgestapt en te voet verder gegaan. Ik loop de straat door, ondertussen glurend en zoekend naar relicten uit mijn jeugd. Ik lees naambordjes, woont er nog iemand die ik ken? Natuurlijk niet.
Ik herken een afgebrokkelde steen in het muurtje waarop mijn vrienden en ik zo’n 60 jaar geleden vaak zaten. Ik waag het erop. Ik ga weer op dat muurtje zitten, in de hoop dat niemand achter de gordijnen denkt dat er een verwarde man in hun straat rondloopt. Wat hún straat, míjn straat zul je bedoelen!
Ik herken een kier tussen de stoeptegels die ooit fungeerde als pot bij het knikkeren. Er groeit nu gras. Er wordt niet meer geknikkerd.
Ik loop door en kom in de Hoytemastraat, de winkelstraat, en maak een rondje via het Hoytemaplein. Er is veel veranderd, maar veel is ook hetzelfde gebleven. De meeste winkelpanden hebben een nieuwe bestemming gekregen. Er zijn terrassen en restaurantjes bijgekomen. Gebleven zijn de gemoedelijke sfeer en de luxe uitstraling. Het is een buurt met veel kleine middenstanders, waar het godzijdank gelukt is Blokker, Zeeman en het Kruidvat op afstand te houden. Petit Paris wordt het hier wel genoemd.
Dan is het hoog tijd voor een koele Chardonnay op zo’n voor mij nieuw terras. Even dromerig wegsoezen in de warme zonnestralen. Heerlijk. Mijn ogen vallen dicht, voor mijn neus verandert de straat langzaam in de straat van 1960…”
